Deze website gebruikt cookies. Accepteer de cookies als u alle functionaliteiten van deze website wilt gebruiken.

Koewacht (B/NL)

Koewacht is een zogenaamd dubbeldorp of tweelinggemeente. Als gevolg van de Belgische afscheiding van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1830 werd Koewacht gesplitst in een Belgisch en een Nederlands gedeelte.

1


Koewacht-België en Koewacht-Nederland vormen samen een aan elkaar gesloten dorpskom, verspreid over twee landen en drie gemeenten. Het grootste gebied behoort tot de gemeente Terneuzen, in de Nederlandse provincie Zeeland. De rest van het dorp is verdeeld over de Belgische gemeenten Moerbeke en Stekene. Koewacht telt 4.233 inwoners (2011).

2a

Op 2 juli 1915 was het Duitse leger met de aanleg van de dodendraad tot aan de bebouwde kom van Koewacht genaderd. Enige inwoners van Belgisch Koewacht hadden gehoopt dat van de grenslijn zou worden afgeweken, gezien het gebrek aan ruimte om zo’n versperring op te richten. In dat geval kwamen hun huizen achter de draad te liggen. De Duitsers wisten er echter iets op te vinden. Ze gingen met de aanleg dwars door een schuur, zaagden fruitbomen om die in de weg stonden, braken muren af,... Wat in den weg stond, werd verwijderd. Op het veld moesten tarwe, rogge en aardappelen veel te vroeg geoogst worden.

3

In die dagen was Koewacht nog een grensoverschrijdende parochie. De kerk en de pastorij kwamen in 1915 ten zuiden van de dodendraad te staan, wat problemen opleverde voor de inwoners ten noorden van de draad. Deze kerkgangers, vooral inwoners van Nederlands Koewacht, konden immers de kerkdiensten niet meer bijwonen. Nochtans was de kerk volledig Nederlands eigendom. Naar aanleiding van deze kwestie zijn herhaalde besprekingen gehouden tussen Nederlandse en Duitse militaire autoriteiten. De Zeeuwse bevolking van Koewacht moest in de gelegenheid gesteld blijven om, zoals tot dan toe het geval was, eenmaal in de week (op zondag) naar de kerk te gaan. Maar om godsdienstoefeningen te houden, moest er ook een geestelijke bij zijn. Daarom werd de pastorij door de Duitsers prijsgegeven. Het traject van de versperring werd hiervoor gewijzigd.

4

De Duitsers organiseerden vervolgens een eerder clowneske vertoning. ’s Zondags werd de poort bij de dodendraad geopend en konden de “noordelijken” tussen twee rijen Duitse soldaten tot aan de kerkdeur komen. De “zuidelijken” moesten binnen blijven en ramen en deuren sluiten. Zij mochten niet in contact komen met de “bezoekers” (hun dorpsgenoten, vaak ook familieleden of kennissen)! De kerkdeur werd gesloten en na de dienst opnieuw geopend. Dan konden de kerkgangers tussen de Duitse escorte naar hun woning terugkeren. Na een aantal maanden werd deze processie afgeschaft. Er werd immers aan de Nederlandse kant een noodkerk gebouwd, die in 1921 à 1922 vervangen werd door de huidige kerk. In 1926 werd het Nederlandse Koewacht ook een zelfstandige parochie.

5noodkerk

Daarmee waren niet alle problemen opgelost. Het kerkhof lag namelijk in Nederland. Eind augustus 1915 stierf in Belgisch Koewacht een vrouw. Op weg naar het kerkhof moest de dodendraad gepasseerd worden. Geen der familieleden van de overledene mocht de teraardebestelling bijwonen. Duitse militairen onder leiding van een officier gaven de kist door aan inwoners van Nederlands Koewacht. Door de draadversperring heen staarden de kinderen van verre hun overleden moeder na.

Rond dezelfde tijd werd in Koewacht op enige afstand van de dodendraad een tweede draad gespannen om de Belgen geen gelegenheid te geven met de Nederlanders te spreken. Hier en daar werden daarvoor schuren en stallen, heggen en omheiningen afgebroken. Greppels, sloten en diepten werden gevuld. Alle mensen die op een afgelegen plaats binnen de grensstrook woonden, moesten verhuizen. In de dorpskom waren dat slechts diegenen die vlakbij de dodendraad woonden.

6

Op 31 mei 1916 verscheen een bericht in de krant dat de Duitsers op alle wegen naar de grens en vóór alle huizen die in de nabijheid van de grens stonden, een twee meter hoog schutsel plaatsten. Ze waren van gevlochten roggestro gemaakt, zeer netjes afgewerkt en zo dicht als de zitting van een stoel zodat niemand erdoor kon kijken. Daardoor werd het de Belgen belet van ver een blik te werpen of met de hand te wuiven naar bloedverwanten, vrienden en kennissen aan de andere zijde van de grens.

De Belgen mochten niet dichter dan tweehonderd meter van de grens komen. Zij die binnen de tweehonderd meter zone woonden, mochten zich daarin vrij bewegen. Maar gingen ze daarbuiten, dan moesten ze een doorlaatpas hebben. Zo moest een landbouwer die nog juist in de grenszone woonde, een pas hebben om naar zijn pomp te gaan (die net buiten de grenszone stond).

7

Mits betaling van honderden marken, al naargelang de rijkdom van de bewoners, was het mogelijk de dodendraad te verplaatsen, zodat boerderijen achter de draad kwamen te liggen. Die mensen mochten dan in hun huis blijven wonen.